Toetsen is een lastige en complexe taak waar de docent zich voor gesteld ziet en waar meerdere belangen op het spel staan die het cursusbelang overstijgt. Bijvoorbeeld dat de opleiding het eindniveau van de studenten bij afstuderen kan verantwoorden bij visitatie en accreditatie. In dat proces zijn diverse actoren betrokken zoals onderwijsmanagement, opleidings-, en examencommissie. In onderstaand figuur wordt de samenhang tussen de lagen weergegeven.  

Figuur 1. Toetspiramide en toetscyclus naar Joosten-ten Brinke (2011) en Sluismans et al. (2012)

Figuur 1. Toetspiramide en toetscyclus naar Joosten-ten Brinke (2011) en Sluismans et al. (2012)

Op cursusniveau helpt de toetscyclus (1.1) de docent stapsgewijs bij het ontwerp, uitvoering en zorg voor kwaliteit van de gekozen toetsvormen. De belangen van goede toetsing overstijgt het cursusniveau. De cursus draagt bij aan eindtermen van de opleiding en maakt veelal deel uit van een toetsprogramma (1.2) (denk aan een studiepad, track, of leerlijn in het vaardigheidsonderwijs). Ook is het verstandig je als docent rekenschap te geven van de UU-, en opleidingspecifieke kaders, het toetsbeleid (1.3), de onderwijsvisie en uitgangspunten.

In dit verband is ook de informatie relevant hoe de toetsorganisatie (1.4) is ingericht (wie is verantwoordelijk voor wat, en hoe is e.e.a. onderling afgestemd), wat van de docent wordt verwacht voor de kwaliteitszorg (1.4) rond toetsing, en de geldende afspraken over de vereiste toetsbekwaamheid (1.4) voor het uitvoeren van toetstaken en mogelijkheden voor verdere ontwikkeling. We weten inmiddels veel van toetsing en wat van invloed is op de kwaliteit.

Hieronder worden de onderdelen verder toegelicht.

Figuur 2. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsen in de cursus en de toetscyclus.

Figuur 2. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsen in de cursus en de toetscyclus.

De toetscylus biedt houvast voor het maken van toetsen in de cursus. Het toetsontwerp op cursusniveau is afgeleid van het toetsprogramma. In het toetsontwerp zijn de keuzes vastgelegd die antwoord geeft op de basisvragen rond toetsen.

  1. Waartoe leiden de toetsen? (Wat is de functie van de toets in relatie tot het onderwijs)?
  2. Wat toetsen we? (Welke inhoud, op welk niveau in de ontwikkeling van bekwaamheid?);
  3. Hoe wordt getoetst? (Welke toetsvormen zijn geschikt? Welk instrumentarium is beschikbaar of moet worden ontwikkeld?)
  4. Wanneer worden toetsen afgenomen?
  5. Wie beoordeelt er?
  6. Welke kwaliteitseisen stellen we aan toetsen? (Hoe kunnen we de toetskwaliteit borgen door de gevolgde werkwijze?).

De vragen lijken eenvoudig en de antwoorden voor de hand liggend. Het realiseren van een consistent ontwerp waarin toetsfunctie(s), inhoud, niveau, vorm, timing, goed op elkaar zijn afgestemd, blijkt in praktijk niettemin lastig. Eenmaal opgesteld naar tevredenheid zal het toetsontwerp niet aan grote veranderingen onderhevig zijn.

Figuur 2. Toetscyclus

Figuur 2. Toetscyclus

Dat is anders bij de cyclische vervolgstappen: de constructie van de toets(opdrachten/vragen), het uitvoeren van de toetsopdracht (toetsafname), het nakijken en beoordelen van de toetsresultaten, het analyseren van de resultaten en het evalueren van het toetsproces. De cyclus zal voor elke toets opnieuw worden doorlopen. Daarbij zal de nadruk op een van de stappen (in tijd en aandacht) per toetsvorm verschillen. Voor de meerkeuzetoets is het construeren van goede (valide) vragen een kunst apart; bij het toetsen met open vragen is extra aandacht nodig voor het uniform nakijken en beoordelen, en voor een mondeling is het afnemen de stap waar het om draait.

Links

Figuur 4. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsprogramma

Figuur 4. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsprogramma

Een cursus draagt bij aan de eindtermen van de opleiding en is onderdeel van het onderwijsprogramma. De toetsing binnen de cursus is onderdeel van het toetsprogramma. Met het begrip ‘toetsprogramma’ (van der Vleuten et al., 2012) wordt gedoeld op een samenhangend geheel van beoordelingen (toetsen èn feedback) binnen een opleiding.

Met het toetsprogramma wordt nagegaan: of (a) de opleidingsdoelen zijn bereikt en (b) of die ertoe leiden dat de toetsing maximaal ondersteunend is aan het leren van studenten. Vaardigheidsontwikkeling langs leerlijnen is een voorbeeld van een onderdeel van het toetsprogramma.

Kenmerken van een toetsprogramma zijn o.a.:

  • Toetsing en onderwijs zijn nauwkeurig op de leerdoelen en elkaar afgestemd.
  • Het in samenhang brengen van het geven van feedback, en beoordelen zijn gericht op het bereiken van een hoog niveau (constructive alignment; assessment for learning);
  • Goede toetsing streeft naar het verkrijgen van een totaalbeeld. Het ‘vertelt het verhaal van een student’. Gegeven de beperkingen van enkelvoudige beoordelingen en beoordelingsmethoden, is gebruik gemaakt van een samenhangend geheel van elkaar aanvullende instrumenten (complementariteit);
  • Toetsprogramma’s en –beleid zijn gericht op ontwikkeling van studenten op de langere termijn, die inzichtelijk wordt gemaakt via een uitgebalanceerd geheel van complementaire beoordelingen en ruim voorzien van feedback.

Links

Figuur 5. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsbeleidFacultair onderwijs-, en toetsbeleid is afgeleid van de visie, ambities en kaders zoals verwoord in het Utrechts Onderwijsmodel en het Strategisch plan 2016-2020. De UU-ambities (zie kader) zijn uitgewerkt in de Richtlijn onderwijs (dec 2018), waarin de regelgeving voor opleidingen in is verwoord.

Voor docenten gelden de onderstaande uitgangspunten:

  • Snel beschikbare en studentspecifieke feedback op de toetsresultaten;
  • Regelmatige feedback op de studievoortgang, tenminste éenmaal tussentijds/halverwege de cursus;
  • Het op natuurlijke wijze verweven van beoordeling in het leerproces;
  • Een gevarieerd toetsprogramma dat recht doet aan diversiteit aan studenten en de academische doelen;
  • Commitment, en het actief betrekken van studenten bij de opleiding en de beoordeling;
  • Blended learning en faciliteiten voor e-assessment.

Figuur 6. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsorganisatie, bekwaamheid en kwaliteit

Figuur 6. Toetspiramide en toetscyclus met focus op toetsorganisatie, bekwaamheid en kwaliteit

In het hoger onderwijs is de laatste jaren veel werk gemaakt om de kwaliteit van de afzonderlijke toetsen op cursusniveau en het eindniveau te kunnen verantwoorden. Verscherpte eisen door de inspectie hebben geleid tot verandering van wettelijke regelgeving,  en aanpassing van het Beoordelingskader voor visitatie en accreditatie van de opleiding (NVAO, 2018). Zo moet de opleiding beschikken over een adequaat systeem van toetsing (standaard 10) en aan kunnen tonen dat de beoogde leerresultaten worden gerealiseerd, blijkens uitkomsten van toetsen, de eindwerken en de wijze waarop afgestudeerden in de praktijk of in een vervolgopleiding functioneren (standaard 11).

De focus bij deze vereisten ligt sterk op externe verantwoording gebaseerd op zorgvuldige en transparante werkwijzen in een interne kwaliteitszorg voor alle niveaus van toetsing. Gevolg was dat de opleidingen werk hebben gemaakt van een expliciet toetsbeleid, het op orde krijgen van een toetsorganisatie met meer samenhang in de toetsing door het programma heen, met het op niveau brengen van de deskundigheid op toetsgebied naar rol en verantwoordelijkheid.

Het opleidingsmanagement verantwoordelijk voor het leveren van toetskwaliteit en de examencommissie als toezichthouder verantwoordelijk voor het borgen van de toetskwaliteit.

Onvrede over de toegenomen bureaucratie, en de eenzijdige focus op summatieve toesen heeft de laatste jaren geleid tot een tegenreactie in het hoger onderwijs: de Toetsrevolutie. Minder cijfergericht en beperkt summatief toetsen. Meer aandacht voor samenhang in toetsen door het programma heen. En vooral: meer focus op formatieve toetsen en feedback die is toegesneden op de mogelijkheden en ambities van de student.

UU support voor Assessment